Algemene uitkering
Binnen het gemeentefonds is de Algemene Uitkering de grootste component. In dit hoofdstuk informeren wij u over de financiële ontwikkelingen welke zijn opgenomen in de zogenaamde meicirculaire over de Algemene Uitkering van het gemeentefonds 2024 . In deze circulaire wordt de gemeente geïnformeerd over de gemeentefondsuitkeringen voor 2024 en verder, gebaseerd op de voorjaarsbesluitvorming van het Rijk. De bijdrage uit het gemeentefonds voor de gemeente Geertruidenberg bedraagt in 2024 ruim € 44.000.000. Vanaf 2026 is een sterke afname van de algemene uitkering te constateren (vanwege het zogenaamde Ravijnjaar) en bedraagt de algemene uitkering ongeveer € 41,5 miljoen.
Gemeenten ontvangen in principe op drie tijdstippen in het jaar informatie over de gemeentefondsuitkeringen: in mei op basis van de Voorjaarsnota, in september op basis van de Miljoenennota en in december, ter afronding van het lopende jaar, op basis van de Najaarsnota. Sinds 2023 worden ook onze P&C producten aan deze cyclus gekoppeld.
De algemene uitkering is vrij besteedbaar voor gemeenten. Er wordt in een circulaire niet beoogd om het bestedingsdoel nader te omschrijven of op welke wijze dan ook te oormerken. Het bedrag aan algemene uitkering wordt verdeeld over de gemeenten via maatstaven (1) , zoals het inwonertal en de oppervlakte van een gemeente, een aan de maatstaven gekoppeld gewicht (2) (bedrag per eenheid) en de uitkeringsfactor (3) (de voor alle gemeenten gelijke vermenigvuldigingsfactor). Die drie componenten zijn aan wijzigingen onderhevig.
De circulaire geeft informatie over de aanleiding voor die wijzigingen en over de uitwerking ervan vanaf 2024 tot en met 2028. De ontwikkeling van de algemene uitkering wordt voor een belangrijk deel bepaald door de ontwikkeling van het accres. Op basis van de keuzes uit het coalitieakkoord en aanvullende afspraken met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is het accres voor de jaren tot en met 2025 gesplitst in een vaststaand volumedeel en een loon- en prijsdeel dat per circulaire bijgesteld wordt op basis van de laatste inzichten van het Centraal Planbureau (CPB) over de loon- en prijsontwikkeling.
In deze meicirculaire 2024 wordt de loon- en prijstranche van 2024 vastgezet. In het coalitieakkoord is besloten om het accres vanaf 2026 niet langer te koppelen aan de ontwikkeling van de rijksuitgaven. Voor 2026 en verder is het accres gesplitst in een vaststaand volumedeel en een loon- en prijsdeel dat per circulaire wordt geactualiseerd op basis van de laatste inzichten van het CPB over de loon- en prijsontwikkeling. Het kabinet heeft, als uitwerking van het coalitieakkoord, besloten dat het gemeente- en provinciefonds vanaf 2027 geïndexeerd worden op basis van de ontwikkeling van het bruto binnenlands product (bbp).
Gezien deze vooraankondiging van het rijk over een nieuwe financieringssystematiek voor medeoverheden zijn er voor de jaren na 2025 aanzienlijke financiële onzekerheden en bemoeilijken het maken van een betrouwbare prognose van de algemene uitkering vanaf 2026. Daar waar in het verleden het berekenen van de algemene uitkering relatief eenvoudig was door de stabiele berekeningswijze (samen de trap op- samen de trap af) constateren wij nu dat het veel moeilijker is om een betrouwbare prognose te maken. We krijgen te maken met behoorlijk ingrijpende wijzigingen, waarvan het te ver gaat om deze wijzigingen in detail op te nemen, maar om een indruk te geven over de gecompliceerdheid van de materie een voorbeeld.
Voor het accres wordt een nieuwe financieringssystematiek ingevoerd, en die wordt ook nog eens vervroegd van 2027 naar 2024. Het volume accres wordt vanaf 2024 gebaseerd op een 8 jarig historisch gemiddelde. Het LPO (Loon en prijs accres) wordt eerst gecorrigeerd voor de macro-economische cijfers van het Centraal Economisch Plan gevolgd door een indexatie voor loon en prijsontwikkeling gebaseerd op de prijs bruto binnenlands product. De effecten van deze wijzigingen worden voor 2024 volledig gecompenseerd en voor 2025 voor 50% en na 2026 volledig. Hierdoor ontstaat landelijk een voordeel van € 675 miljoen wat gelijk staat aan het bedrag wat landelijk was ingeboekt vanwege het introduceren van de opschalingskorting. Van invloed is ook de definitieve afrekening van het BTW-compensatiefonds 2023 die is verwerkt, zijn er 15 taakmutaties opgenomen, worden ruim 20 integratie/decentralisatie uitkeringen gewijzigd, rekentarieven WOZ aangepast en enkele vooraankondigingen gedaan over wijzigingen die op de rol staan. Zo wordt geconstateerd dat er de laatste jaren steeds meer specifieke uitkeringen zijn gekomen met daarbij behorende verantwoordingslasten. Dat doet afbreuk aan het bestedingsvrij en zonder oormerkt beter beschikking stellen van middelen.
Op 15 mei 2024 is het zogenaamde hoofdlijnenakkoord bekend geworden. in dit akkoord zijn afspraken gemaakt over de financiën van de rijksbegroting. De budgettaire verwerking van het hoofdlijnenakkoord is inclusief uitvoeringskosten en bevat mutaties ten opzichte van de huidige begrotingsstanden. Daar waar de meicirculaire 2024 duidelijkheid verschaft zijn de mutaties in de berekening meegenomen. Mutaties waarover eerst na de septembercirculaire 2024 meer duidelijkheid wordt verwacht, zijn niet meegenomen in deze Voorjaarsnota. De vraag is tevens of het wel realistisch is om te veronderstellen dat de duidelijkheid er in september 2024 wel zal zijn. Immers de uitwerking van het hoofdlijnenakkoord zal de komende maanden moeten plaatsvinden en het grootste gedeelte van de mutaties uit het Hoofdlijnenakkoord vergen een verdiepende uitwerking door de ministeries. Dit vergt ook tijd.
In het hoofdstuk ontwikkelingen gaan wij nader in op de financiële ontwikkelingen voor de jaren 2024 - 2028.