4. Financiële uitgangspunten

4.1 Inleiding

Terug naar navigatie - - 4.1 Inleiding

Zoals in de inleiding van deze voorjaarsnota aangegeven hebben we dit verkiezingsjaar geen kadernota. Zoals in een raadsinformatiebrief is voorgesteld zal het nieuwe coalitie- en collegeakkoord de basis vormen voor de begroting  2027-2030. Op deze plek is het wel goed om zoals gebruikelijk een aantal algemene financiële uitgangspunten te formuleren die de basis zijn voor deze begroting.

4.2 Financiële uitgangspunten

Terug naar navigatie - - 4.2 Financiële uitgangspunten

In dit hoofdstuk leest u de financiële kaders en spelregels. Ze zijn het kader waarbinnen we het streven naar financiële rust en stabiliteit vormgeven. Bij het opstellen van de programmabegroting 2027 – 2030 hanteren we in beginsel de volgende uitgangspunten:

  1. De berekening van de Algemene Uitkering maken we op basis van de meicirculaire 2026 en tegen constante prijzen.
  2. Voor de meerjarenraming gaan we uit van een indexering op baten en lasten in het begrotingsjaar. We hanteren daarvoor de volgende principes:
    1. We volgen de contracten waarbinnen we specifieke afspraken maakten over indexering.
    2. We hanteren in algemene zin een indexering op de baten die gelijk is aan de gecombineerde index uit de meicirculaire 2026.
    3. Naast de reguliere ontwikkeling van de OZB (volgens 2.b.) indexeren we de OZB met 1% extra vanwege de bekostiging van het IHP.
    4. Voor bijdragen aan gemeenschappelijke regelingen sluiten we aan bij de afspraken die we hierover met de regiogemeenten maakten.
    5. We streven voor opbrengsten afvalstoffenheffing, rioolheffing en leges naar een 100% kostendekkend tarief.
  3. Voor loon- en salarisontwikkelingen:
    1. sluiten we aan bij de meest actuele inzichten per 1 juni 2026.
    2. We berekenen de totale loonsom op basis van het maximum van de functieschaal. 
    3. We indexeren de loonkosten conform de geldende cao-afspraken.
    4. Op het moment dat er geen geldende cao-afspraken bekend zijn, passen we een algemene indexeringsgrondslag toe (loonvoet sector overheid).
  4. Het rentepercentage voor nieuwe investeringen stellen we voorlopig vast op 3%. Op gerealiseerde investeringen/activa is het gemiddelde percentage 1,5%.
  5. Het bedrag voor onvoorziene uitgaven begroting 2026 en volgende jaren is € 25.000 per jaar.
  6. Op investeringen groter dan € 25.000,- schrijven we lineair af.

 

Het college behoudt ruimte om bij de begrotingsbehandeling gemotiveerd af te wijken van genoemde uitgangspunten als de doorrekeningen in aanloop naar de begroting hiertoe aanleiding geven.